De oorzaken van afzettingen in CV-installaties
Onze moderne warmtegeneratoren zijn zeer energiezuinige toestellen. Dit hebben ze te danken aan de doeltreffende werking van hun warmtewisselaar. Deze zorgt immers voor een optimale overdracht van de verbrandingswarmte in de rookgassen naar het water van het verwarmingssysteem. Opdat deze prestatie behouden zou blijven in de tijd, mogen er zich evenwel geen vaste afzettingen voordoen. Deze hebben namelijk een weerslag op de warmteoverdracht en de levensduur van de installatie.
Wat zijn de oorzaken van afzettingen?

Afzettingen kunnen het gevolg zijn van ketelsteenvorming (kalk) of van corrosiefenomenen in de installatie.
De vorming van ketelsteen wordt veroorzaakt door de aanwezigheid van opgeloste vaste stoffen (bv. calcium en magnesiummineralen die de hardheid van het water bepalen) die zich vooral afzetten op de heetste plaats in de installatie, namelijk de warmtegenerator.
Aangezien corrosie een sluipend verschijnsel is, wordt aanbevolen om in een corrosiebewaking te voorzien.

De corrosie van de in de installatie aanwezige ijzeren elementen leidt dan weer tot de vorming van corrosieslib (zwart magnetiet en soms zelfs roodgekleurde roest) en is vrijwel volledig te wijten aan de aanwezigheid van zuurstof in het water.
Hoe corrosie en ketelsteen vermijden?

Doordat vooral corrosie aanzienlijke afzettingen kan veroorzaken, moet er bijzondere aandacht worden besteed aan het vermijden van de inbreng van zuurstof in de installatie. Een belangrijke bron van zuurstoftoevoer is een gebrek aan drukbehoud in de installatie. Om te vermijden dat er onderdrukken zouden ontstaan, moet het expansievat correct gedimensioneerd, zeer regelmatig gecontroleerd en zo nodig bijgeregeld worden. Hiertoe kan men gebruikmaken van een door Buildwise ontwikkeld rekentool.
Een andere zuurstofbron is de aanwezigheid van onvoldoende zuurstofdichte leidingen in kunststof en van soepele aansluitslangen. Zo kan een vloerverwarmingssysteem dat opgebouwd is uit 1.000 m niet-zuurstofremmende buizen jaarlijks tot meer dan 400 g corrosieslib leiden. Het is dan ook afgeraden om dergelijke leidingen aan te wenden.

Aangezien corrosie een sluipend verschijnsel is, wordt aanbevolen om – ook in kleinere installaties – in een corrosiebewaking (monitoring) te voorzien. Zo kan men de corrosievorming op een indirecte manier bewaken door de hoeveelheid bijvulwater op te volgen, de relatie tussen de watertemperatuur en de druk in de installatie te controleren en de kwaliteit van een aantal waterparameters (bv. de pH-variaties) na te kijken. Men kan ook opteren voor een directe monitoring door middel van ‘corrosiecoupons’ die regelmatig visueel gecontroleerd worden of door elektronische corrosiemetingen. Hierbij moeten de gegevens nauwkeurig worden genoteerd in een logboek of worden opgenomen in het gebouwbeheersysteem, zodat de evolutie van de parameters in de tijd opgevolgd kan worden.

Er moet ook voldoende aandacht worden besteed aan de zuurtegraad (pH) van het water en dit, om lekken te vermijden. Zo moet de pH van het vulwater gelegen zijn tussen 6,5 en 8,5 en die van het systeemwater tussen 8,2 en 10 in systemen zonder aluminium en tussen 8,2 en 8,5 (soms 9 bij bepaalde legeringen) in systemen met aluminium. De pH van het water kan gemakkelijk worden gecontroleerd met behulp van teststrips.
Indien er zich aanzienlijke afzettingen voordoen, dan is het aanbevolen om de oorzaak ervan aan te pakken alvorens de installatie te reinigen.
Om ketelsteenvorming te vermijden, is het aangeraden om het vulwater volledig of gedeeltelijk te ontharden door een gewone waterverzachting (indien er geen aluminium aanwezig is) of door een demineralisatie. De toegelaten residuele hardheidswaarden zijn bij een gedeeltelijke ontharding afhankelijk van het ketelvermogen en de waterinhoud: hoe groter het watervolume per eenheid vermogen, hoe geringer de toegelaten hardheid. Voor deze waterbehandelingen kunnen de installateurs gebruikmaken van draagbare toestellen. We willen erop wijzen dat het vulwater in kleine installaties (met een vermogen ≤ 50 kW en een specifieke waterinhoud ≤ 20 l/kW) meestal wel zonder enige behandeling gebruikt kan worden.
Wat bij renovatie van de warmtegenerator?
Indien men de warmtegenerator van een bestaande installatie wenst te vervangen, dan moet men eerst een diagnose stellen van de staat waarin de installatie zich bevindt. Dit gebeurt op basis van de controle van een aantal waterstalen en een grondige visuele inspectie:

- Zijn er sporen van lekken?
- Uit welk materiaal bestaan de buizen?
- In welke staat verkeert het expansievat?
- Wat kan men afleiden uit de corrosiemonitoring?
- Hoe ziet het pomphuis van de circulator eruit?
Indien op basis van deze diagnose blijkt dat er zich aanzienlijke afzettingen voordoen, dan is het aanbevolen om de oorzaak ervan aan te pakken alvorens de installatie te reinigen en/of over te gaan tot het plaatsen van een warmtewisselaar tussen de installatie en de warmtegenerator. Meer informatie hierover: Technische Voorlichting 278 via
https://www.buildwise.be/nl/publicaties/technische-voorlichtingen/278/
Bron: Buildwise Technische Voorlichting 278 - Verwarmingsinstallaties met warm water: aanbevelingen om afzettingen en corrosie te voorkomen