Publieke gebouwen verduurzamen begint met keuzes maken
Frederik Christiaens (VEB)
##video:EPRbe2642V06##
Scholen, gemeenten en zorginstellingen weten doorgaans dat hun gebouwen energiezuiniger moeten worden. Maar welke blijven op lange termijn in gebruik? Welke ingrepen krijgen voorrang, wie begeleidt ze en hoe worden de resultaten opgevolgd? Tijdens BuildUp liet Frederik Christiaens zien hoe het Vlaams Energiebedrijf (VEB) publieke organisaties helpt om van die vragen naar concrete projecten te gaan.
Eerst het patrimonium in kaart
Voor publieke organisaties is energie meestal niet de hoofdactiviteit. Toch moeten ze over hun gebouwen beslissen, vaak zonder voldoende technische kennis, tijd of middelen. Opeenvolgende verplichtingen maken die opdracht volgens Christiaens complexer. Organisaties moeten bepalen welke maatregelen nodig zijn, wanneer ze die uitvoeren en hoe ze alles financieren.
“Energie is vaak niet de kernactiviteit van een publieke entiteit. Energie is dat wel voor ons”
Daarom begint VEB niet meteen bij een installatie of contract. Eerst moet duidelijk zijn in welke gebouwen verdere investeringen zinvol zijn en welke op termijn mogelijk worden afgestoten. Voor de gebouwen die in gebruik blijven, kan een volgorde van maatregelen worden vastgelegd. Zo wordt verduurzaming een haalbaar traject in plaats van losse ingrepen.
VEB ondersteunt publieke organisaties met advies en begeleiding, maar voert niet elk project zelf uit. Voor oplossingen rond energie-efficiëntie en hernieuwbare energie werkt het via raamovereenkomsten met marktpartijen. Zo krijgen organisaties toegang tot de expertise om projecten te realiseren.
Meten om gericht te verbeteren
Een van de oplossingen die Christiaens toelichtte, is Monitoring-as-a-Service. Om het verbruik te verbeteren, moet eerst duidelijk zijn waar en wanneer energie wordt gebruikt. Daarvoor stelt een leverancier een meetplan op, plaatst hij meters en loggers en zorgt hij voor de configuratie en werking van het systeem.
De metingen geven doorlopend inzicht in het verbruik. Zo worden afwijkingen en verbeterpunten zichtbaar en kan een organisatie gerichter ingrijpen. Christiaens maakte ook duidelijk hoe het dienstmodel is opgebouwd: de geplaatste meters blijven eigendom van de publieke organisatie, terwijl de leverancier verantwoordelijk blijft voor de loggers en de datadienst. Voor die dienst wordt een jaarlijkse vergoeding betaald.
Monitoring is daarmee een vertrekpunt. De waarde van de gegevens hangt af van het gebruik ervan: een slecht ingestelde installatie opsporen, een maatregel voorbereiden of nagaan of een ingreep werkelijk bespaart.
Verlichting als dienst en als proefproject
Voor verlichting biedt VEB verschillende routes aan. Bij grotere opdrachten kan een studiebureau een lichtontwerp maken. Voor kleinere projecten kan een aannemer via een raamovereenkomst ter plaatse een ontwerp en offerte opstellen. Voor grote projecten bestaat ook een model waarbij verlichting als dienst wordt aangeboden: de investering wordt dan gespreid over een langdurig contract en de publieke organisatie wordt aan het einde eigenaar van de installatie.
Naast die bestaande mogelijkheden loopt een proefproject in drie scholen. Per school worden twee klaslokalen vergeleken. Het ene lokaal krijgt ledverlichting op de gebruikelijke manier, het andere combineert ledverlichting met slimme sturing op basis van onder meer aanwezigheid en daglicht. De proef moet aantonen hoeveel extra energie die regeling in de praktijk kan besparen. Christiaens benadrukte dat het om onderzoek gaat; besparingscijfers voor de klaslokalen gaf hij nog niet.
Van meten naar automatisch bijsturen
VEB onderzoekt ook hoe metingen rechtstreeks tot betere sturing kunnen leiden. In twee pilootprojecten binnen het Programma Innovatieve Overheidsopdrachten worden bestaande systemen gekoppeld, met als doel het energieverbruik actief te verminderen. De lessen kunnen later bijdragen aan een oplossing voor meer publieke gebouwen.
Daarop sluit een raamovereenkomst voor meten en sturen aan die VEB voorbereidt. Die moet gegevensverzameling en het bijregelen van installaties samenbrengen. Christiaens ziet daarin een belangrijke volgende stap: inzicht in het verbruik is nuttig, maar gebouwen worden pas efficiënter wanneer de installaties ook anders gaan werken.
Eén contract voor meerdere gebouwen
Sommige organisaties hebben een grotere opgave dan één installatie verbeteren. Daarvoor besprak Christiaens de onderhouds- en energieprestatiecontracten, of OEPC’s. Verschillende gebouwen en maatregelen worden dan gebundeld in één project. Dat pakket kan zowel technische installaties en zonnepanelen als ingrepen aan daken of schrijnwerk omvatten.
Een voorstudie bepaalt welke gebouwen en maatregelen binnen het project vallen, hoeveel budget beschikbaar is en welk besparingsniveau de organisatie wil bereiken. Daarna kunnen marktpartijen een voorstel indienen. De gekozen ESCo, een energiedienstenbedrijf, voert de maatregelen uit en staat gedurende de contractperiode ook in voor onderhoud en afgesproken prestaties.
Het prestatiegedeelte is essentieel. De ESCo moet de beloofde energiebesparing jaar na jaar aantonen. Als het resultaat achterblijft, voorziet het contract een financiële correctie. Vallen de prestaties beter uit, dan kan ook een bonus worden gedeeld. Zo blijft de aandacht niet beperkt tot de oplevering van de werken.
VEB toonde ook resultaten van eerdere projecten. Voor AZ Vesalius vermeldde de organisatie een besparing van 29,3% op elektriciteit en 17,3% op gas. Volgens Christiaens tonen die projectcijfers wat een gebundelde aanpak kan opleveren.
Dankzij 47 energiebesparende maatregelen voor gemeente Tessenderlo-Ham werd zelfs 35% bespaard op elektriciteit en 15% op gas.
Ook zonnepanelen slimmer benutten
Tot slot keek Christiaens vooruit naar een oplossing rond flexibiliteit. VEB bereidt een raamovereenkomst voor om zonnepanelen en batterijen van publieke organisaties beter aan te sturen en hun flexibiliteit te benutten. Daarbij wordt onder meer gekeken naar momenten met negatieve elektriciteitsprijzen en naar de wisselwerking met bestaande gebouwsturing.
Ook hiervoor wil VEB met een gespecialiseerde marktpartij samenwerken. Het contract was tijdens de lezing nog in voorbereiding. Daarmee illustreerde Christiaens de bredere ontwikkeling in publieke gebouwen: energie besparen blijft belangrijk, maar ook de vraag wanneer energie wordt opgewekt, verbruikt of opgeslagen krijgt steeds meer aandacht.
De rode draad door zijn lezing was dat verduurzaming begint met overzicht. Pas wanneer een organisatie haar gebouwen, verbruik en prioriteiten kent, kan ze bepalen welke oplossing past. Raamovereenkomsten, monitoring en prestatiecontracten bieden vervolgens verschillende manieren om die keuzes in uitvoering om te zetten en het resultaat te blijven volgen.
Wie is Frederik Christiaens?
Frederik Christiaens is COO Energie-Efficiëntie bij het Vlaams Energiebedrijf
(veb). Hij geeft er al bijna 10 jaar richting aan de energie-efficiëntieactiviteiten en werkt aan de ontwikkeling en toepassing van energiediensten voor de publieke sector. Frederik is industrieel ingenieur en master in de bedrijfseconomie en bouwde vóór zijn komst naar veb ruime ervaring op in energieadvies, energie-audits en de energetische renovatie van gebouwen. Zijn expertise situeert zich op het snijvlak van energie-efficiëntie, bebouwde omgeving, innovatie en de praktische vertaling van nieuwe technieken naar het terrein.