Tips & tricks voor een accurate verbrandingsgasanalyse
Meet altijd in normale werkingsomstandigheden
De verbrandingsgasanalyse is een belangrijk – en verplicht – onderdeel bij de keuring van gas- en stookolieketels. In België is het vereist om dit te doen met behulp van een elektronisch meettoestel. Dat lijkt een evidentie, maar velen mispakken zich aan de procedure. Denk daarbij ook aan de meldings- en attestatieplicht. Voor een correcte meting moet men namelijk het toestel vanbinnen en vanbuiten kennen, én op de hoogte zijn van de actuele gesteldheid. Onderstaande stappen mogen daarom zeker niet vergeten worden.

Waarom en wanneer voert men een verbrandingsanalyse uit
De keuring van een stooktoestel gaat steeds gepaard met een analyse van de verbrandingsgassen. Daarbij moeten onder meer de volgende parameters gemeten (of berekend) en op het verbrandingsattest genoteerd worden:
- CO-gehalte van de verbrandingsgassen (mg/kWh);
- O2-gehalte van de verbrandingsgassen (Vol. %);
- CO2-gehalte van de verbrandingsgassen (Vol. %);
- nettotemperatuur, zijnde het verschil tussen rookgastemperatuur en die van de verbrandingslucht (°C);
- rookgasrendement (%);
- rookindex (enkel bij stookolietoestellen).
Er zijn meerdere redenen voor het grondig uitvoeren van een verbrandingsanalyse. Het meest voor de hand liggende aspect is dat van de veiligheid. Koolmonoxide (CO) kan namelijk dodelijk zijn. Bij premixtoestellen krijgen vooral het milieu en de brander het zwaar te verduren.
Goed afgestelde verwarmingssystemen verbruiken minder energie, wat resulteert in lagere brandstofkosten. Het vroegtijdig opsporen van problemen kan eveneens ongeplande reparaties in de toekomst voorkomen.
Het is aangeraden om de verbranding van het verwarmingssysteem minstens één keer per jaar te controleren, idealiter voor het begin van de winter. De elektronische meetapparatuur voor verbrandingsanalyse dient minstens eenmaal om de twee jaar door de fabrikant of invoerder ervan te worden nagekeken en geijkt. De fabrikant of invoerder bevestigt na controle van het rookgasanalysetoestel een klever op het toestel. Op deze klever wordt de datum van de laatste controle en de uiterlijke datum van de eerstvolgende controle genoteerd.

1. Controleer de luchtdichtheid van uw meetinstrumenten
Men voert best altijd een dichtheidscontrole uit van de gasweg, om er zeker van te zijn dat de aangezogen verbrandingsgassen niet ongewenst verdund worden door lekken in de meetsonde of door niet-gasdichte aansluitingen. Sommige toestellen hebben een automatische dichtheidscontrole.
Wanneer deze functie echter niet bestaat op het toestel, kan u volgende test uitvoeren:
- Sluit de meetsonde af door middel van het meegeleverde kapje of iets dat de sonde op een evenwaardige
manier afdicht - Laat nu de pomp van het toestel starten. Normaal hoor je nu een duidelijk verschil in geluid
- Stop na enkele seconden de pomp van het toestel en wacht 10 seconden
- Wanneer men nu de opening van het condensopvangvat opent of de sonde afkoppelt, dient men even
het geluid van de door de aanwezige onderdruk aangezogen lucht te horen
Ook belangrijk: controleer altijd de staat van leidingen, aansluitingen en dichtingen. Zorg dat de filter goed is bevestigd aan de sonde en de sonde goed aan het toestel. Leeg telkens het condensopvangvat en controleer nadien af dit degelijk
is afgesloten. Controleer voor iedere meting of de filter(s) proper en droog zijn. Vervang indien nodig.

2. Controle en nulling van de cellen
Automatische Controle meetcellen
Elektronische meettoestellen beschikken over verschillende meetcellen voor het bepalen van de verschillende parameters. Standaard gebeurt de meting van het O2- en CO-gehalte door middel van een elektrochemische cel.
Bij de opstart wordt er een controle van de sensoren uitgevoerd: als deze controle niet juist is, verschijnt er een foutmelding. Let wel: ook bij een foutmelding kan u nog steeds een meting uitvoeren, al zullen de resultaten in geen geval betrouwbaar zijn.
Elektrochemische cellen hebben een beperkte levensduur. De levensduur van een O2-cel is bijvoorbeeld beperkt in de tijd aangezien deze, zelfs wanneer niet in gebruik, altijd blootgesteld blijft aan zuurstof. Een CO-cel heeft veelal een levensduur afhankelijk van de belasting. Onderhoud en kalibratie van het toestel zijn essentieel om de toestand van de cellen te controleren en tijdig te vervangen.
Nulling van de meetcellen
Opdat de meetresultaten in het toestel correct geanalyseerd kunnen worden, heeft elk toestel een basisreferentie nodig. Daartoe moet u op het toestel niet enkel de juiste brandstof aanduiden, maar dient u ook een nulmeting te doen om de O2-waarde op 21% en de CO-waarde op 0 mg/kWh in te stellen. Het is van essentieel belang dat deze nulling plaatsvindt in een omgeving met verse, zuivere lucht. Lees: niet in het stooklokaal!
Voert u de nulling uit in een stooklokaal waar zich eventueel al een verbrandingsproblematiek voordoet, dan zal het toestel die meting immers als normaal beschouwen, en wordt het probleem (bv. een verhoogde CO-concentratie) bij de daadwerkelijke meting mogelijk niet opgemerkt.

3. Bekijk het type van uw stooktoestel
Bij stooktoestellen aangesloten als type B (met open verbrandingskring) wordt de temperatuur van de verbrandingslucht gemeten in de buurt van de centrale stookketel, op een hoogte van ca. 1,5 meter. Deze mag niet beïnvloed worden door de warmte afgegeven door het stooktoestel of andere warmtebronnen. De meeste rookgasanalysers zijn standaard uitgerust met een temperatuurvoeler op het instrument. U kan dit oplossen door de lange verbrandingsluchttemperatuursonde te gebruiken en deze verder van het stooktoestel plaatsen.
Bij stooktoestellen aangesloten als type C (gesloten verbrandingskring) wordt de temperatuur van de verbrandingslucht gemeten in de daarvoor voorziene meetopening.
4. Meet in normale werkingsomstandigheden
Na het aansluiten van de nodige sondes, testen van de goede werking (o.a. luchtdichtheid) en een correcte nulling, is het toestel klaar voor de meting. Controleer altijd voor de meting of de O2 ongeveer 21% bedraagt en de CO 0 ppm ( 0 mg/kWh) is. Start de brander en laat deze enkele minuten werken om eventuele CO gevormd bij de start af te voeren.
Bij de metingen mag men niet uit het oog verliezen dat dit te allen tijde moet gebeuren in normale werkingsomstandigheden. Dit wil zeggen:
- Het stooktoestel moet werken op een normale werkings-/bedrijfstemperatuur
- Het stooktoestel is ingesteld op maximaal gebruiksvermogen of volgens de voorschriften opgenomen in de regelgeving
- Ook de ruimte waarin het toestel zich bevindt, is erg belangrijk. Het stooktoestel moet opgesteld staan in normale condities, dus met gesloten vensters en deuren. Bij B11 gebouwen opgestelde toestellen moet de gebouwventilatie op maximum staan.
- Het stooktoestel is volledig gemonteerd met branderkap, omkasting, etc.
- Het stooktoestel beschikt over de juiste meetopeningen. Dit wordt ofwel voorzien door de fabrikant op een kraag die het toestel verbindt met het rookgasafvoerkanaal, ofwel door een technicus volgens de normen
Overigens is het belangrijk om te onthouden dat de verbrandingsgassen in de kernstroom moeten gemeten worden. Daar is de temperatuur namelijk het hoogste en het zuurstofgehalte (O2) het laagste.

5. Let op voor condensatie
Elektronische meetinstrumenten hebben verschillende meetcellen om de verschillende parameters te bepalen. Deze cellen zijn echter gevoelig voor condensatie, hetgeen afwijkende meetresultaten oplevert. Daarom is het belangrijk om de initiële nulpuntinstelling na afloop van alle metingen en onder dezelfde omstandigheden als de oorspronkelijke nulling nogmaals te verifiëren.
Indien de resultaten afwijken van de oorspronkelijke nulling, in functie van het merk en het type toestel, is er mogelijks sprake van condensatie. In dat geval verwijdert u het eventuele condensatievocht dat zich heeft opgestapeld in de condenswateropvang van het rookgasanalysetoestel. Controleer de aanwezigheid van droge en zuivere filters in het rookgasanalysetoestel en vervang deze indien nodig.
U dient het toestel ook altijd eerst te acclimatiseren om te vermijden dat condensatievocht zich op de meetcellen of in de aanzuigleiding vormt. Laat daarom in de winter een toestel dat uit een koude bestelwagen komt (of in de zomer uit een heel warme bestelwagen) eerst op kamertemperatuur komen vooraleer u de meting start. Met andere woorden: vermijd grote temperatuurverschillen. Laat na de meting ook altijd het condenswater uit de condenswateropvang alvorens het toestel op te bergen.

6. Meet voldoende lang
Om een representatief meetresultaat te bekomen, moet er een bepaalde hoeveelheid verbrandingsgassen langsheen de meetcellen passeren. Die hoeveelheid is bij de meeste meettoestellen gelijkaardig, maar aangezien de lengte van de sondes en de sterkte van de interne pomp tussen de verschillende merken kunnen verschillen, varieert ook de duur van een representatieve meting. Als vuistregel geldt dat een meting ten einde is wanneer de O2- en de CO-waarden gestabiliseerd zijn.
Het bewaken van de juiste duurtijd van de analyse toont zich nog al te vaak problematisch bij het meten op maximaal vermogen. Als de warmte die door het stooktoestel gegenereerd wordt, niet weg kan, zal de ketel immers stoppen alvorens de verbrandingsgasmeting voltooid is. Zelfs wanneer alle radiatoren opengedraaid worden, komt dit, vanwege de overdimensionering van heel wat stooktoestellen, nog veelvuldig voor. In dat geval kan er dus geen correcte verbrandingsgasanalyse uitgevoerd worden.
Om dit euvel te omzeilen, wordt de vollasttest daarom vaak in SWW-modus uitgevoerd. Sommige ketelfabrikanten hebben hun testmodi hier zelfs op afgestemd. En hoewel de wetgeving voorschrijft dat de verbrandingsgasanalyse steeds in cv-modus gebeurt, worden de resultaten van een vollasttest op SWW, indien ze aan de wettelijke vereisten voldoen, ook door de sector aanvaard.
Neem na de meting de sonde uit het rookgaskanaal en laat het toestel een minuut naspoelen tot de O2 en CO terug op respectievelijk ongeveer 21% en 0 ppm ( 0 mg/kWh) komen te staan. Schakel nu het toestel uit. Koppel de rookgassonde af en neem de filter uit de houder zodat deze kunnen drogen.