Besparing na energetische renovatie vaak lager dan vooraf berekend
Veranderend gedrag na renovatie belangrijke oorzaak hiervoor
Energetische renovaties leveren in de praktijk vaak minder besparing op dan verwacht. Dat komt onder meer door gedragsveranderingen na de renovatie, zoals het verhogen van de thermostaat. In het VITO-rapport ‘Energy Demand Management to fulfilling EU climate commitments’ pleiten onderzoekers daarom voor een bredere aanpak, namelijk Energy Demand Management. Dat gaat verder dan technische ingrepen zoals isolatie of het plaatsen van een warmtepomp en zet in op bewust energiegebruik en het actief sturen van de energievraag.
Energiebesparing blijkt lager dan verwacht
Een verbetering van de energie-efficiëntie leidt niet automatisch tot een lagere energievraag (wanneer de energieprijzen stabiel blijven). Dat is een belangrijke conclusie uit het VITO-rapport ‘Energy Demand Management to fulfilling EU climate commitments’.
Door het zogenaamde reboundeffect valt de werkelijke besparing vaak lager uit dan vooraf werd ingeschat. Dat komt doordat mensen hun gedrag na de renovatie aanpassen of doordat er bredere systeemreacties optreden. In het onderzoek spreekt men van:
- het directe reboundeffect: dit doet zich voor wanneer een lagere gebruikskost leidt tot intensiever gebruik, bijvoorbeeld wanneer mensen na een renovatie van hun woning hun thermostaat in plaats van op 19 °C op 21 °C zetten
- het indirecte reboundeffect: treedt op wanneer de financiële besparing van de energieverbetering wordt besteed aan andere producten of diensten die op hun beurt energie verbruiken
Het reboundeffect verschilt naargelang het inkomen en in de tijd. Huishoudens met een middeninkomen ervaren doorgaans een beperkter reboundeffect, omdat energiekosten een kleiner deel van hun budget uitmaken. Bij lagere inkomens ligt dat anders: daar wegen energiekosten zwaarder door en kan de financiële ruimte die ontstaat door efficiëntiewinsten leiden tot extra consumptie, soms zelfs van energie zelf. Dat vermindert de verwachte besparing.
Minste besparing bij lagere inkomens
Daarnaast speelt ook het zogenaamde preboundeffect een rol. Dat treedt op wanneer bewoners voor de renovatie minder energie verbruiken dan theoretisch verwacht, bijvoorbeeld omdat ze om financiële redenen hun woning onvoldoende verwarmen. In slecht geïsoleerde woningen komt dit vaak voor. Wanneer zulke woningen worden gerenoveerd, stijgt het comfort en dus ook het energiegebruik, waardoor de uiteindelijke besparing lager uitvalt dan berekend. Bij lage inkomens leidt renovatie met andere woorden vaak tot meer comfort eerder dan tot pure energiebesparing, omdat het energieverbruik vóór de ingreep al kunstmatig laag lag.
Dit alles heeft belangrijke beleidsimplicaties, zeker bij het berekenen van de gevolgen van beleidsbeslissingen op de emissies.
Maatregelen gericht op hogere inkomensgroepen kunnen een grotere impact hebben op de totale energievraag en emissies, omdat daar meer besparingspotentieel aanwezig is. Deze groep verwarmt immers al voldoende (er is geen preboundeffect), dus de renovatie zorgt voor een grotere energiebesparing. Het energieverbruik bij lagere inkomens verbeteren, leidt dan weer tot een lichte stijging van het verbruik.
Deze reboundeffecten worden het vaakst onderzocht in huishoudens en transport. Hoewel het moeilijk is om ze exact te meten, wijzen studies erop dat directe reboundeffecten bij huishoudelijk energiegebruik doorgaans tussen 10 en 30% liggen. Je verliest dus 10–30% van de berekende energiewinst door gedragsaanpassingen.
In de industrie bedraagt dit gemiddeld ongeveer 15%, met hogere waarden – tot 60% – in energie-intensieve sectoren. Over indirecte reboundeffecten is minder bekend en de resultaten lopen sterk uiteen.
Het belang van Energy Demand Management
Reboundeffecten hoeven geen onvermijdelijk gevolg te zijn van energie-efficiëntie. Volgens het VITO-onderzoek kunnen ze worden beperkt via Energy Demand Management. Het is belangrijk dat er niet alleen wordt ingezet op technologie, maar ook op het actief sturen van energiegebruik.
Door bijvoorbeeld gebruik te maken van slimme sturing, zoals thermostaten en automatische regelsystemen, kan het energieverbruik beter worden afgestemd op reële noden en vermeden worden dat comfortniveaus onbewust stijgen.
Daarnaast spelen prijsprikkels een belangrijke rol: dynamische energietarieven of andere financiële signalen kunnen gebruikers aanzetten om bewust om te gaan met hun verbruik, ook wanneer hun woning energiezuiniger wordt.
Tot slot is ook sensibilisering essentieel. Door bewoners inzicht te geven in hun energiegebruik en de impact van hun gedrag, kunnen zij gerichter keuzes maken en blijft een groter deel van de beoogde energiebesparing behouden. Op die manier combineert Energy Demand Management technische efficiëntie met gedragssturing en beleid, en helpt het de kloof tussen theoretische en werkelijke besparingen te verkleinen.