Binnenisolatie: een spelletje waarheid, doen of durven?
Nathan Van Den Bossche (Universiteit Gent)
Als gevolg van de naderende renovatiegolf wint binnenisolatie steeds meer aan belang. Deze isolatiemethode vormt echter de grootste technische uitdaging omwille van de diverse materialen en technieken die bij gevels worden toegepast. Tijdens BuildUp stelde professor in de bouwtechniek aan de Universiteit Gent en burgerlijk ingenieur-architect Nathan Van Den Bossche enkele essentiële stappen voor om een performante binnenisolatie te realiseren.
Binnenisolatie steeds meer op de voorgrond
In de komende jaren zal het bestaande gebouwenbestand in België stapsgewijs beter geïsoleerd moeten worden door de renovatieverplichting. Hiervoor zijn verschillende isolatiemethoden beschikbaar. Buitenisolatie wordt beschouwd als de meest efficiënte technische oplossing met een waterdicht resultaat. Het na-isoleren van spouwmuren is een budgetvriendelijker alternatief, maar leidt in geval van beperkte spouwbreedtes tot slechts een beperkte energetische verbetering.
Omdat deze methodes niet altijd realiseerbaar zijn, wordt binnenisolatie steeds vaker aangehaald om een performante bouwschil te creëren. Hoewel hierdoor wat ruimteverlies ontstaat aan de binnenzijde, wordt het bestaande gevelaanzicht behouden. Doorgaans wordt binnenisolatie als de meest technisch uitdagende optie beschouwd door het verhoogde risico op schade of verlies aan thermische inertie, maar volgens Nathan hoeft dit niet altijd problematisch te zijn.

Vier stappen voor een succesvolle binnenisolatie
Gezien de unieke toestand van elk project is het moeilijk om een uniforme richtlijn op te stellen voor een veilige binnenisolatie van gebouwen. Daarom deelde Nathan Van Den Bossche tijdens BuildUp vier cruciale stappen om een succesvol resultaat te bereiken, volledig afgestemd op de specifieke conditie van het gebouw.
Analyse van de bestaande toestand
Allereerst wordt de bestaande situatie geanalyseerd om te bepalen of de gevel geschikt is voor binnenisolatie. Diverse randvoorwaarden, zoals vorstschade, vochtproblemen, een hoge binnenklimaatklasse, dampdichte afwerkingen of geglazuurde bakstenen, kunnen namelijk potentiële problemen met zich meebrengen. Om deze risicofactoren in een breder kwaliteitskader uiteen te zetten, maakte Nathan een analogie met het na-isoleren van spouwmuren.
Het na-isoleren van spouwmuren kent een soortgelijke problematiek, maar is al meer ingeburgerd. Zo zijn er meer dan 130.000 cases van succesvolle na-isolatie bekend, waarvan over het algemeen slechts een beperkt aantal schadegevallen bekend is. Het merendeel van deze incidenten is te wijten aan het niet naleven van het kwaliteitskader. Andere gevallen hebben voornamelijk te maken met de blootstelling van de gevel aan regen.


Massieve muren vormen echter een complexere uitdaging. Daarin kunnen houten balken, stalen elementen en leidingen verwerkt zijn, waarvan de bouwknopen extra complicaties kunnen veroorzaken. Bij het na-isoleren van dergelijke structuren kan de warmte niet meer ontsnappen, waardoor de muur afkoelt en niet meer van binnenuit kan drogen. Hierdoor worden de muur en eventueel verwerkte componenten vochtiger. Dit kan, in combinatie met een slechte luchtdichtheid, aanzienlijke schade veroorzaken.
Ambitieniveau: thermische weerstand
Nadat de huidige toestand en de bijbehorende risicofactoren zijn geanalyseerd, dient de benodigde thermische weerstand berekend te worden om aan het gewenste ambitieniveau te voldoen. Hoewel het Vlaams Energie- en Klimaatagentschap regels hanteert voor buitenisolatie (U-waarde 0,24) en de na-isolatie van spouwmuren (U-waarde 0,55), bestaan er geen specifieke voorschriften voor binnenisolatie.

Onderzoek wijst uit dat een grotere binnenisolatiedikte resulteert in een groter aantal vorst-dooicycli, wat leidt tot een verhoogd risico op vochtproblemen. Een warmteweerstand van meer dan 4 m²K/W (U-waarde 0,24) brengt bijvoorbeeld te veel risico’s met zich mee, terwijl een warmteweerstand van 2 m²K/W overeenkomt met de thermische weerstand van na-isolatie van spouwmuren (U-waarde 0,55). Zodra de isolatiedikte 6 cm bedraagt, stabiliseert het effect en blijft het verschil relatief klein.
Het 95% interval in onderstaande grafiek illustreert echter de enorme variatie tussen gestelde verwachtingen en mogelijke uitkomsten. Dit benadrukt dat de plaatsing van binnenisolatie sterk varieert van project tot project. Daarom is het essentieel om op basis van enkele belangrijke parameters te bepalen welke maximale warmteweerstand haalbaar is voor een optimaal resultaat. Factoren zoals blootstelling aan slagregen, de dikte van het metselwerk, het type isolatiesysteem, de binnenklimaatklasse en het eventuele behoud van de binnenpleister spelen hierbij een cruciale rol.


Opbouw van het binnenisolatiesysteem
Na het berekenen van de gewenste thermische weerstand, moet een passend binnenisolatiesysteem worden gekozen. Hoofdzakelijk bestaan hiervoor twee soorten: dampdichte en dampopen binnenisolatiesystemen. De manier waarop de interne condensatie wordt beheerst, speelt hierbij een doorslaggevende rol. Zo wordt er een optimale vochtbalans gecreëerd tussen de regendoorslag enerzijds en het vocht dat van binnen naar buiten migreert anderzijds.
Klassieke dampdichte binnenisolatiesystemen voorkomen inwendige condensatie door gebruik te maken van voldoende dampremmende materialen. Hierdoor wordt al het vocht tegengehouden. Hoewel deze aanpak thermisch robuuster is, brengt het een verhoogd risico op vorstschade met zich mee en zal het metselwerk een groter vochtgehalte bevatten. Geïntegreerde constructie-elementen, zoals houten balken, moeten hiervoor dus perfect luchtdicht zijn.
Nieuwe capillair-actieve binnenisolatiesystemen bufferen interne condensatie via dampopen isolatiemateriaal en/of kleefmortel. Hoewel deze isolatiemethode thermisch minder robuust is, kan het vocht wel effectief naar binnen toe drogen. Dit verlaagt het vochtgehalte in het metselwerk en reduceert de kans op vorstschade. Om de vochtflux optimaal te reguleren, is een kleine diffusieweerstand en correcte afwerking noodzakelijk.

Detaillering: bouwknopen en koudebruggen
De detaillering van binnenisolatie is kritischer dan bij buiten- of spouwisolatie. Het is daarom essentieel om extra aandacht te besteden aan bouwknopen en koudebruggen. Hoeken en raamaansluitingen zijn doorgaans gevoeliger voor temperatuurverschillen. Bij het aanbrengen van binnenisolatie rond houten balken of metalen profielen is het aangeraden om extra maatregelen te nemen, zoals de constructies iets verder van de hoek te plaatsen of de isolatielaag door te trekken achter de studs.
Ook bij het aanbrengen van binnenisolatie bij muren met een betonplaat kan een lagere oppervlaktetemperatuur ontstaan. Dit komt doordat het vergrote contactoppervlak fungeert als een soort koelvin, waarbij de bouwknoop deels wordt afgeschermd en de warmte naar buiten wordt geleid. Een correcte plaatsing van binnenisolatie is daarom uitermate belangrijk voor een goede aansluiting met de bouwknopen en een minimalisering van warmteverlies.



De toekomst van de renovatiemarkt onder druk
De huidige renovatieplicht stelt dat alle woningen tegen 2050 een energielabel A moeten hebben. Om dit te bereiken, wordt de laagste categorie elke vijf jaar uitgefaseerd. Uit onderzoek naar dit renovatieritme blijkt dat binnen 10 jaar maar liefst 29% van het woningbestand tot minstens label E gerenoveerd moet worden, wat neerkomt op een renovatiepercentage van 3% per jaar. Om het uiteindelijke doel te bereiken, zal deze trend jaarlijks aangescherpt worden.
Op dit moment ligt het jaarlijkse renovatieritme in Vlaanderen tussen de 0,7% en 1%, waarbij ingrijpende energetische renovaties slechts 0,2% tot 0,3% vertegenwoordigen. Uit macro-economische studies blijkt zelfs dat geen enkel Europees land ooit boven de 1,6% is uitgekomen. Daarnaast leiden dergelijke renovatie-initiatieven tot een toename van vraag en aanbod, wat resulteert in een stijging van de kosten. Deze toename is in België al merkbaar, waardoor de betaalbaarheid van woningen onder druk komt te staan.


In België kost een huis gemiddeld 11 à 13 keer het jaarlijkse nettoloon. Nathan onderzocht de betaalbaarheid van woningen op basis van verschillende inkomenskwintielen. Hieruit bleek dat de betaalbaarheid van woningen in het laagste segment juist is verbeterd in de afgelopen 10 jaar. Deze conclusie houdt echter geen rekening met de actuele leningsvoorwaarden en de energetische waarde van woningen. Zo hebben mensen met een beperkt inkomen vaak niet het budget om de renovatiemaatregelen door te voeren, terwijl de goedkoopste woningen vaak juist die zijn waar een renovatie nodig is.
Daarnaast worden slecht geïsoleerde woningen vaak aangekocht als investering voor renovatieprojecten. Op termijn zullen dergelijke woningen voor hogere prijzen verhuurd worden, waardoor er mogelijks ook schaarste ontstaat op de huurmarkt. De stijgende bouwprijzen hebben tevens een neerwaartse invloed op de nieuwbouwmarkt. In combinatie met de opschuivende problematiek van de renovatieplicht vormen deze ontwikkelingen grote uitdagingen voor de toekomst van de Belgische woonmarkt.

Wie is Nathan Van Den Bossche?
Als ervaren ingenieur-architect werkte Nathan Van Den Bossche bij Bureau Bouwtechniek, de National Research Council Canada en Politecnico di Milano. Vandaag de dag is Nathan professor bouwtechniek aan de Universiteit Gent. Zijn onderzoek richt zich op de duurzaamheid van gevels in erfgoed-, renovatie- en nieuwbouwprojecten. Duurzaamheid wordt hierbij in beide definities aangewend. Om nieuwe inzichten te verwerven, wordt experimenteel onderzoek gecombineerd met numerieke simulaties en analyses van schadegevallen.